U heeft een testament

U hebt een testament

Afwijken van de wet

De wet regelt in alle voorkomende gevallen wie de erfgenamen zijn van de overledene. Iedereen die zestien jaar of ouder is, kan van de wettelijke regels afwijken door een testament te maken. Vele redenen, ook fiscale, kunnen hierbij een rol spelen.

Afgezien van enkele uitzonderingen worden testamenten gemaakt ten overstaan van een notaris. De notaris legt de uiterste wil van de erflater vast in een notariële akte: het testament. De notaris adviseert de cliënt (de testateur) daarbij over mogelijke bepalingen in zijn situatie. Een testament heeft pas rechtskracht als de testateur en de notaris het hebben ondertekend. Het wijzigen van een testament is op elk moment mogelijk door het maken van een nieuw testament. Elke wijziging of herroeping van een bestaand testament moet ook weer via een notaris geregeld worden. Het verscheuren van een afschrift van een bestaand testament heeft geen rechtskracht; het testament blijft gewoon geldig.

Legitieme portie

Kinderen kunnen in een testament worden onterfd. Zij worden dan geen erfgenaam. Wel geeft de wet bepaalde versterferfgenamen recht op een geldbedrag. Dit bedrag noemt men de legitieme portie. Degenen die op zo’n bedrag recht hebben, zijn de (klein)kinderen. Zij worden ook wel legitimarissen genoemd. Als een legitimaris berust in een onterving, ontvangt hij niets uit de nalatenschap. Berust hij niet, dan moet hij binnen 5 jaar zijn legitieme portie opeisen. Hiervoor hoeft de rechter niet te worden ingeschakeld. Een enkele duidelijke, liefst schriftelijke verklaring is voldoende. De legitieme portie bedraagt de helft van wat het kind zou hebben gekregen als er geen testament was, dus de helft van het versterferfdeel. De omvang van de legitieme portie wordt berekend in de waarde van de nalatenschap, vermeerderd of verminderd met bepaalde door de erflater gedane giften (schenkingen).

Zoals gezegd: als een kind een beroep doet op zijn legitieme portie, krijgt het een geldvordering. Dat betekent nog niet dat het kind daarmee direct zijn geld kan opeisen. Als de wettelijke verdeling van toepassing is, kan het onterfde kind pas het geld opeisen van de langstlevende echtgenoot na diens overlijden. Ook bij een testamentaire erfstelling kan de erflater bepalen dat de geldvordering niet kan worden opgeëist zolang de langstlevende echtgenoot nog leeft. Deze niet-opeisbaarheidsclausule kan ook worden gemaakt als de erflater met iemand samenwoont, op voorwaarde dat er een notariële samenlevingsovereenkomst is gesloten.

Onterving echtgenoot: verzorgingsrecht

Onterving van een echtgenoot is mogelijk. De onterfde echtgenoot heeft geen recht op een legitieme portie. Wel worden de gevolgen van onterving verzacht, als de nalatenschap van de erflater voldoende mogelijkheden tot verzorging biedt. De onterfde echtgenoot heeft namelijk recht op een passend verzorgingsniveau. De echtgenoot kan bijvoorbeeld als dat nodig is, aanspraak maken op het vruchtgebruik van het huis en van de inboedel. Hij kan dan in de woning blijven wonen ook al is hij onterfd. Afhankelijk van zijn verdere financiële omstandigheden kan hij ook het vruchtgebruik claimen van andere zaken, bijvoorbeeld van een effectenportefeuille. En hij mag zelfs dit vermogen opmaken als dat nodig is voor zijn verzorging. Daarvoor moet wel eerst toestemming van de kantonrechter worden gevraagd.
Deze regeling is van dwingend recht. Bij testament kan er niet van worden afgeweken. Wel is de uitoefening van deze rechten aan korte termijnen gebonden (6 resp. 9 maanden). Raadpleeg daarom in zo’n geval zo snel mogelijk een notaris.

Langstlevendentestamenten

Ouderlijke boedelverdelingtestament
Bij de ouderlijke boedelverdeling wordt de langstlevende partner automatisch de eigenaar van de nalatenschap en mag hij hiermee doen wat hij wil.

Tot 2003 moest de ouderlijke boedelverdeling worden opgenomen in het testament. Dit was toen het langstlevende testament. Door de verandering van de wet in 2003 is een langstlevende constructie in de wet geregeld. Deze bepaalt dat als er geen testament is gemaakt, dat er toch een ouderlijke boedelverdeling zal plaatsvinden. Dit noemt men nu ook wel de wettelijke verdeling.

Zolang de langstlevende ouder nog leeft, hebben de kinderen een vordering op de ouder. De langstlevende ouder mag wel tijdens leven (een deel van) de vordering aan de kinderen voldoen. Als er een wettelijke verdeling is gemaakt, kan de erflater een bepaling hebben opgenomen, waardoor de achterblijvende partner niet alles kan opmaken. Er kunnen in het testament zekerheden worden opgenomen ten aanzien van het erfdeel van de kinderen. Ook in dit testament kan worden bepaald dat de langstlevende partner geen recht meer heeft op de nalatenschap zodra de achterblijvende partner hertrouwt of naar het verzorgingstehuis gaat. De kinderen zullen moeten wachten op uitkering van hun erfdeel tot één van de door de erflater bepaalde momenten zich voordoet óf tot het moment dat moeder of vader zelf vindt dat zij of hij kan uitkeren.

Na 1 januari 2003 kan geen ouderlijke boedelverdeling meer worden gemaakt. Testamenten met een ouderlijke boedelverdeling die voor 1 januari 2003 zijn gemaakt, blijven geldig, ook als de erflater na die datum is overleden. Het is dan zinloos voor kinderen een beroep op hun legitieme portie te doen. De langstlevende echtgenoot zal die namelijk pas uit hoeven te keren bij zijn overlijden.

Vruchtgebruiktestament

Een ander soort regeling bij testament is het instellen van een vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot. Vruchtgebruik is het recht om gebruik te maken van goederen die niet uw eigendom zijn. Dit laatste wordt ook aangeduid met de term ‘hoofdgerechtigdheid’ en ‘hoofdgerechtigde’.
Vruchtgebruiktestamenten zijn veel gemaakt in het verleden en kunnen ook in de toekomst nog worden gemaakt. De vruchtgebruiker is bevoegd om alle ‘vruchten van het goed te plukken’. Met andere woorden: de vruchtgebruiker mag genieten van de goederen. De vruchtgebruiker van een huis mag er gratis in wonen, de vruchtgebruiker van het saldo van een bankrekening geniet de rente.
De vruchtgebruiker is verplicht het goed waarvan hij de vruchten geniet ten behoeve van de hoofdgerechtigde in stand te laten. Zo moet de vruchtgebruiker van een huis dat huis goed onderhouden, en moet de vruchtgebruiker van een saldo op een bankrekening afblijven van de hoofdsom, tenzij de erflater uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Het vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van de vruchtgebruiker(s) of op een eerder tijdstip dat de erflater in zijn testament heeft vastgelegd (bijvoorbeeld hertrouwen).

In een vruchtgebruiktestament staat dat de kinderen eigenaar zijn van hun erfdeel, bijvoorbeeld de woning. Zij geven de ouder de woning als het ware in vruchtgebruik. Dat betekent dat de langstlevende ouder gebruik mag maken van de woning. De kinderen hebben in het begin dus nog niets aan hun erfdeel. Daarom wordt het een bloot eigendom genoemd.

Het vruchtgebruiktestament kan eindigen door verschillende oorzaken. De erflater kan beslissen dat het vruchtgebruiktestament zal eindigen als de langstlevende hertrouwt of naar een verzorgingstehuis gaat. De kinderen krijgen dan de nalatenschap in volledige eigendom en zij mogen ermee doen wat zij willen. Maar het vruchtgebruiktestament kan ook bepalen dat het vruchtgebruik geldt tot de dood van de langstlevende.

Doordat de kinderen officieel de eigenaar zijn van een huis kunnen zich problemen voordoen. Als de langstlevende vruchtgebruiker/echtgenoot/partner een extra hypotheek wil afsluiten of het huis wil verkopen, heeft hij toestemming van de kinderen nodig. Dit kan heel lastig zijn als de onderlinge verhouding nihil is.

Er is een groot verschil tussen een ouderlijke boedelverdelingtestament en de wettelijke verdeling van het nieuwe erfrecht enerzijds, en een vruchtgebruiktestament anderzijds. Bij de ouderlijke boedelverdeling en de wettelijke verdeling heeft de langstlevende het recht alle goederen op te maken; bij het vruchtgebruiktestament heeft de langstlevende, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen, in het algemeen alleen recht op gebruik van de goederen. Hierdoor bereikt de erflater dat bij het eindigen van het vruchtgebruik de goederen in volle eigendom toebehoren aan de hoofdgerechtigde.
Stel: een man is voor de tweede keer getrouwd. Uit zijn eerste huwelijk heeft hij kinderen en uit zijn tweede huwelijk niet. Deze man kan overwegen een vruchtgebruiktestament te maken. Hiermee bereikt hij dat zijn vrouw (uit zijn tweede huwelijk) het genot en gebruik van alle goederen heeft, maar dat bij haar overlijden zijn kinderen volledig eigenaar zijn. Hij hoeft geen angst te hebben dat zijn kinderen met lege handen staan als zijn vrouw er ook niet meer is, want zij heeft niet de bevoegdheid de goederen ‘op te eten’.

Wel kunnen de kinderen aanspraak maken op hun legitieme portie. Maar over het algemeen zal in een vruchtgebruiktestament voor een echtgenoot een clausule worden opgenomen, dat de legitieme portie pas wordt uitbetaald na het overlijden van de langstlevende echtgenoot.

Uitsluitingsclausule

Velen willen wel dat hun kinderen (of andere erfgenamen) iets van hen erven. Zij willen echter niet dat na een echtscheiding de ex-echtgenoten van hun kinderen (of van andere erfgenamen) recht hebben op de helft van de erfenis. Dit kan gebeuren als de erfgenaam in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd of onder bepaalde huwelijkse voorwaarden. De oplossing hiervoor is het opnemen van een uitsluitingsclausule in het testament. Bijvoorbeeld: ‘Hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen en de opbrengsten daarvan zullen niet vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden noch worden betrokken in een verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden.’

Het resultaat is dat de ‘koude kant’ geen recht heeft op de helft van de geërfde goederen als gevolg van een echtscheiding.

Legaat

Een erfgenaam is iemand die de hele erfenis of een aandeel in de erfenis krijgt, ofwel (een gedeelte van) alle goederen (bezittingen en schulden), die deel uitmaken van de nalatenschap.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor een erflater een bepaald goed of een vastgestelde som geld aan iemand of aan een goed doel te vermaken. Dit noemt men een legaat. De erfgenamen moeten het legaat aan de gerechtigde (legataris) afgeven. Voorbeelden: ‘Ik legateer mijn woonhuis te Amsterdam aan mijn neef Piet’, of: ‘Ik legateer aan mijn neef Jan een bedrag in contanten groot € 5.000.’ Een legaat van een goed dat er ten tijde van het overlijden van de erflater niet meer blijkt te zijn, vervalt.

Codicil

Bepaalde legaten hoeft de erflater niet per se in een notarieel testament vast te leggen. Voor het vermaken van inboedelgoederen (geen schilderijen en/of kunstvoorwerpen), sieraden en kleren voldoet een codicil. Een codicil is een eigenhandig geschreven (er mag geen getypte letter in staan), gedateerde en ondertekende verklaring. De in een codicil vermaakte goederen moeten nauwkeurig (stuk voor stuk) worden beschreven. Ook kan iemand in een codicil instructies geven voor zijn begrafenis of crematie.
Vanaf 1 januari 2003 is het benoemen van een executeur in een codicil niet meer mogelijk. Dit zal dan bij testament moeten gebeuren. Een codicil met een executeursbenoeming van voor die datum blijft geldig.
Het gemakkelijke van een codicil is dat de maker het snel kan wijzigen. Verscheur het oude en schrijf een nieuwe.
Het nadeel is dat een codicil, in tegenstelling tot een notarieel testament, kan zoekraken of kan worden verdonkeremaand. Het advies is dan ook om het goed op te bergen of af te geven aan een vertrouwd iemand.

Bewind

Het kan voorkomen dat een erflater van mening is dat zijn erfgenamen (nog) niet de volledige verantwoording kunnen dragen van het door hen geërfde vermogen. Dit kan te maken hebben met de leeftijd of met het gedrag van de erfgenamen. In zulke gevallen kan de erflater een bewind instellen. Er komt dan een bewindvoerder die het geërfde beheert, bijvoorbeeld totdat de erfgenamen een bepaalde leeftijd hebben bereikt of gedurende een periode van vijf jaren na het overlijden. Het feit dat in Nederland de leeftijd voor meerderjarigheid is teruggebracht van 21 naar 18 jaar is voor velen aanleiding bij testament een bewind in te stellen. Zonder bewindregeling krijgen de kinderen op achttienjarige leeftijd de erfenis onder eigen beheer; voor menigeen is dat veel te vroeg om er verantwoord mee om te gaan.

Een bank of accountant kan bewindvoerder zijn, maar ook een familielid. De bevoegdheden en de plichten van een bewindvoerder worden in het testament vastgelegd.

Als een kind het erfdeel van zijn ouder onder bewind krijgt en het bewind niet accepteert, kan hij verwerpen en aanspraak maken op zijn legitieme portie. Hij krijgt dan een geldvordering die de helft waard is van het erfdeel dat hij onder bewind zou hebben geërfd. Financieel gaat hij er dus op achteruit. Daarnaast zijn er twee gevallen, waarbij de legitimaris wel het bewind zal moeten accepteren: als het kind onmachtig of onmondig is in eigen beheer te voorzien (denk aan een kind dat aan drugs is verslaafd), en als de erfenis hoofdzakelijk aan schuldeisers van het kind ten goede zou komen. In die gevallen betekent niet accepteren namelijk dat het kind helemaal niets zal krijgen.

Voogdij

Voor mensen met minderjarige kinderen is het belangrijk zich af te vragen wat er met de kinderen gebeurt als zij er allebei niet meer zijn. Bij gehuwden oefenen de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Overlijdt één van hen, dan krijgt de ander automatisch het ouderlijk gezag. Als de ander vervolgens overlijdt (of de ouders overlijden tegelijk), dan benoemt de rechter een voogd over de kinderen, tenzij de ouders in een testament zelf al een voogd hebben benoemd. Door zo’n voogdbenoeming is de rol van de rechter uitgespeeld; de ouders hebben dwingend bepaald bij wie hun kinderen terechtkomen. Ook twee gezamenlijke voogden kunnen bij testament worden aangewezen.

Testamentenregister

Hoe weet men of er een testament is gemaakt? Hiervoor is het Centraal Testamentenregister in het leven geroepen. Het Testamentenregister in ‘s-Gravenhage houdt bij door welke persoon op welke datum en voor welke notaris een testament is gemaakt. De notaris geeft dit op. De inhoud van het testament is daar niet bekend. Pas na het overlijden van iemand staat het iedereen vrij (meestal gebeurt dat via een notaris) te informeren of er een testament is. Bij de desbetreffende notaris kan men dan om informatie vragen. Het spreekt vanzelf dat de notaris alleen aan direct belanghebbenden de inhoud van het testament prijsgeeft.

Codicillen worden niet bij het Centraal Testamentenregister geregistreerd.

Bedrijfsopvolging

Vanaf 1 januari 2003 zijn er meer mogelijkheden voor bedrijfsopvolging. Enerzijds krijgt een bedrijfsopvolger bepaalde rechten. Anderzijds kan de erflater bij testament meer regelen. Deze mogelijkheden gelden zowel bij een door de erflater gedreven onderneming als bij een kapitaalvennootschap waarvan de erflater de aandelen bezit.

Zo kan een (stief)kind of de echtgenoot van erflater de overdracht van de bedrijfsgoederen of van de aandelen verlangen tegen betaling van een redelijke prijs. Voorwaarde is wel dat de echtgenoot van erflater of het (stief)kind dan wel diens echtgenoot het bedrijf voortzet. Het verzoek hiervoor moet binnen één jaar na het overlijden bij de kantonrechter worden ingediend.

Een verstandige ondernemer/erflater regelt zelf zijn bedrijfsopvolging in een testament. Hij kan bijvoorbeeld de bedrijfsgoederen/aandelen legateren aan de beoogde opvolger. Volgens het nieuwe erfrecht heeft een legitimaris slechts recht op een geldbedrag. Hij kan dus geen aanspraak meer maken op de bedrijfsgoederen. Daarnaast kan de ondernemer/erflater met het oog op de voortzetting van de onderneming in zijn testament bepalen dat legitimarissen genoegen moeten nemen met uitbetaling van hun legitieme portie in termijnen.

Bij personenvennootschappen zoals een vennootschap onder firma wordt vaak gebruikgemaakt van een verblijvings- of overnemingsbeding. Bedrijfsgoederen worden dan eigendom van de overgebleven vennoot. Als dit niet tegen betaling van de reële waarde op het moment van overlijden gebeurt, beïnvloedt dit de positie van de legitimarissen. Daarnaast zal vaak voor de geldigheid van zo’n beding vereist zijn dat het in een notariële akte is vastgelegd.