Corona update

In verband met uw gezondheid en de gezondheid van onze collega's verzoek ik u met het volgende rekening te houden:

  1. Bij de afspraak met de notaris zijn alleen de partijen bij de akte aanwezig, dus geen familieleden, kinderen, etc.
  2. Wij geven geen hand en houden gepaste afstand.
  3. Indien u verkouden bent, hoest of koorts heeft, kan de afspraak niet doorgaan en verzoeken wij u direct telefonisch of per e-mail contact op te nemen met de behandelaar/notaris. Wij zullen dan in overleg met u de eventuele oplossing bespreken.
  4. Als u in contact bent geweest met personen die besmet zijn (geweest) of recent uit een risicogebied zijn gekomen, verzoeken wij u niet op ons kantoor te komen en telefonisch of per e-mail contact met ons op te nemen.

Notaris

Erfrecht, testament & huwelijk

Erfgenamen volgens de wet

Erfrecht

Het erfrecht komt aan de orde bij overlijden. Het vermogen dat iemand nalaat, bezittingen en schulden gaan over op de erfgenamen. De wet bepaalt wie de erfgenamen zijn als de overledene géén testament heeft gemaakt. Dit heet versterferfrecht. Met een testament kan men afwijken van de wettelijke regels.

Erfrecht bij gehuwden met kind(eren)

Wettelijke verdeling

In geval de overledene gehuwd was ten tijde van overlijden en een echtgenoot en tenminste een kind als erfgenamen nalaat, is de wettelijke verdeling van toepassing. Alles gaat naar de langstlevende en kinderen krijgen een vordering op de langstlevende.

Op deze manier kan de langstlevende echtgenoot vrij beschikken over het hele vermogen en ongestoord verder leven.
De kinderen kunnen hun geldvordering pas opeisen bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot of bij diens faillissement/schuldsanering. Over de vordering wordt een rentepercentage vergoed ter correctie van de inflatie.

Het is belangrijk bij de wettelijke verdeling om de vordering van de kinderen goed te berekenen en vast te leggen. De notaris kan hierbij behulpzaam zijn. Een erflater kan in een testament de wettelijke verdeling opzijzetten of aanpassen. Het is bijvoorbeeld mogelijk het rentepercentage van de vordering te verhogen, de vordering opeisbaar te maken bij hertrouwen van de echtgenoot of een kind te onterven.

Vaak bestaat de behoefte als één of beide echtgenoten kinderen uit een eerdere relatie hebben, om alle kinderen hetzelfde te behandelen. De wet biedt die mogelijkheid. Je kunt in een testament ook je stiefkinderen tot erfgenaam benoemen en de wettelijke verdeling van toepassing verklaren. Op die manier worden de stiefkinderen en de eigen kinderen gelijk behandeld.

Als de langstlevende echtgenoot de wettelijke verdeling niet wil, dan kan hij de verdeling ongedaan maken. Dit moet wel binnen drie maanden na het overlijden worden vastgelegd in een notariële akte.

Wilsrechten

Door de wettelijke verdeling komen alle goederen van de nalatenschap bij de langstlevende echtgenoot terecht. Als deze daarna overlijdt, erven zijn eigen kinderen. Soms zijn dit kinderen uit een eerder huwelijk. Hierdoor ontstaat het gevaar dat goederen via de stiefouder bij de stieffamilie terechtkomen. Als sprake is van stieffamilie, bijvoorbeeld als de langstlevende echtgenoot hertrouwt, hebben de kinderen de mogelijkheid hun eigen positie te versterken. Zij kunnen een beroep doen op een zogenaamd wilsrecht.
Als de kinderen een wilsrecht inroepen, krijgen zij goederen in eigendom ter waarde van de vordering die zij hebben op de langstlevende echtgenoot (een ouder of een stiefouder). Maar: al zijn de kinderen nu eigenaar, de langstlevende echtgenoot mag tijdens zijn leven de goederen blijven gebruiken. Dat wordt vruchtgebruik genoemd.

In een testament kunt u afwijken van de wilsrechten. U kunt bijvoorbeeld bepalen dat de kinderen geen wilsrecht hebben. De achtergebleven echtgenoot kan dan niet worden lastiggevallen door de kinderen. Maar u kunt ook juist de wilsrechten voor de kinderen uitbreiden.

Testament

De wet regelt in alle voorkomende gevallen wie de erfgenamen zijn van de overledene. Iedereen die zestien jaar of ouder is, kan van de wettelijke regels afwijken door een testament te maken. Vele redenen, ook fiscale, kunnen hierbij een rol spelen.

Testamenten worden gemaakt ten overstaan van een notaris. De notaris legt de uiterste wil van de testateur vast in een notariële akte: het testament. De notaris adviseert de cliënt (de testateur) daarbij over mogelijke bepalingen in zijn situatie. Een testament heeft pas rechtskracht als de testateur en de notaris het hebben ondertekend. Het wijzigen van een testament is op elk moment mogelijk door het maken van een nieuw testament. Elke wijziging of herroeping van een bestaand testament moet ook weer via een notaris geregeld worden. Het verscheuren van een afschrift van een bestaand testament heeft geen rechtskracht; het testament blijft gewoon geldig.

Erfgenamen

In het testament regelt u wie uw erfgenamen zijn en voor welke delen. Daarnaast kunt u erfegnamen benoemen in verschillende situaties bijvoorbeeld wie de erfgenamen zijn bij gelijktijdig overlijden van de testateur en de erfgenaam of als de erfgenaam of een van de erfgenamen voor de testateur komt te overlijden.

Onterving kinderen / Legitieme portie

Kinderen kunnen in een testament worden onterfd. Zij zijn dan geen erfgenaam. Wel geeft de wet bepaalde versterferfgenamen recht op een geldbedrag. Dit bedrag noemt men de legitieme portie. Degenen die recht hebben op de legitieme portie, zijn de (klein)kinderen. Zij worden ook wel legitimarissen genoemd. Een legitimaris dient zelf een beroep te doen op zijn legitieme portie. Doet hij dat niet dan ontvangt hij niets uit de nalatenschap. Hij dient binnen 5 jaar vanaf het overlijden een beroep te doen op zijn legitieme portie. Hiervoor hoeft de rechter niet te worden ingeschakeld. Een enkele duidelijke schriftelijke verklaring is voldoende. De legitieme portie bedraagt de helft van wat het kind zou hebben gekregen als er geen testament was, dus de helft van het versterferfdeel. De omvang van de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de nalatenschap, vermeerderd of verminderd met bepaalde door de erflater gedane giften (schenkingen).

Zoals gezegd: als een kind een beroep doet op zijn legitieme portie, krijgt het een geldvordering. Dat betekent nog niet dat het kind daarmee direct zijn geld kan opeisen. Als de wettelijke verdeling van toepassing is (dat is het geval als de overledene een echtgenoot en ten minste een kind nalaat als erfgenaam), dan kan het onterfde kind pas het geld opeisen van de langstlevende echtgenoot na diens overlijden. Ook bij een testamentaire erfstelling kan de erflater bepalen dat de geldvordering niet kan worden opgeëist zolang de langstlevende echtgenoot nog leeft. Deze niet-opeisbaarheidsclausule kan ook worden gemaakt als de erflater met iemand samenwoont, op voorwaarde dat er een notariële samenlevingsovereenkomst is gesloten.

Legaat

Een erfgenaam is iemand die de hele erfenis of een aandeel in de erfenis krijgt, ofwel (een gedeelte van) alle goederen (bezittingen en schulden), die deel uitmaken van de nalatenschap.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor een erflater een bepaald goed of een vastgestelde som geld aan iemand of aan een goed doel te vermaken. Dit noemt men een legaat. De erfgenamen moeten het legaat aan de gerechtigde (legataris) afgeven. Voorbeelden: ‘Ik legateer mijn woonhuis te Amsterdam aan mijn neef Piet’, of: ‘Ik legateer aan mijn neef Jan een bedrag in contanten groot € 5.000.’ Een legaat van een goed dat er ten tijde van het overlijden van de erflater niet meer blijkt te zijn, vervalt.

Uitsluitingsclausule

Velen willen wel dat hun kinderen (of andere erfgenamen) iets van hen erven. Zij willen echter niet dat na een echtscheiding de ex-echtgenoten van hun kinderen (of van andere erfgenamen) recht hebben op de helft van de erfenis. Dit kan gebeuren als de erfgenaam in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd of onder bepaalde huwelijkse voorwaarden. De oplossing hiervoor is het opnemen van een uitsluitingsclausule in het testament. Bijvoorbeeld: ‘Hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen en de opbrengsten daarvan zullen niet vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden noch worden betrokken in een verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden.
Het resultaat is dat de ‘koude kant’ geen recht heeft op de helft van de geërfde goederen als gevolg van een echtscheiding.

Executeur

In uw testament kunt u een executeur benoemen. De executeur is het aanspreekpunt, regelt alles bij overlijden en zorgt voor de uitvoering van het testament en de afwikkeling van de nalatenschap.
De executeur moet er altijd voor zorgen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. Dat is een beschrijving van wat wordt nagelaten. Hij moet rekening en verantwoording afleggen aan de erfgenamen.
De bevoegdheden van de executeur kunnen worden uitgebreid in het testament. Hij kan dan als executeur-afwikkelingsbewindvoerder de nalatenschap zelfstandig afhandelen en verdelen.
De wet regelt het loon voor de executeur: 1 procent van het vermogen op de dag van het overlijden. Maar de erflater kan bij de benoeming in het testament het honorarium ook zelf vaststellen, bijvoorbeeld op een vast bedrag of bepalen dat de executeur geen loon krijgt.

Bewind

Het kan voorkomen dat een erflater van mening is dat zijn erfgenamen (nog) niet de volledige verantwoording kunnen dragen van het door hen geërfde vermogen. Dit kan te maken hebben met de leeftijd of met het gedrag van de erfgenamen. In zulke gevallen kan de erflater een bewind instellen. Er komt dan een bewindvoerder die het geërfde beheert, bijvoorbeeld totdat de erfgenamen een bepaalde leeftijd hebben bereikt of gedurende een periode van vijf jaren na het overlijden.
Als een kind het erfdeel van zijn ouder onder bewind krijgt en het bewind niet accepteert, kan hij verwerpen en aanspraak maken op zijn legitieme portie. Hij krijgt dan een geldvordering die de helft waard is van het erfdeel dat hij onder bewind zou hebben geërfd. Financieel gaat hij er dus op achteruit. Daarnaast zijn er twee gevallen, waarbij de legitimaris wel het bewind zal moeten accepteren: als het kind onmachtig of onkundig is in eigen beheer te voorzien (denk aan een kind dat aan drugs is verslaafd), en als de erfenis hoofdzakelijk aan schuldeisers van het kind ten goede zou komen. In die gevallen betekent niet accepteren namelijk dat het kind helemaal niets zal krijgen.

Voogdij

Voor mensen met minderjarige kinderen is het belangrijk zich af te vragen wat er met de kinderen gebeurt als zij er allebei niet meer zijn. Bij gehuwden oefenen de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Overlijdt één van hen, dan krijgt de ander automatisch het ouderlijk gezag. Als de ander vervolgens overlijdt (of de ouders overlijden tegelijk), dan benoemt de rechter een voogd over de kinderen, tenzij de ouders in een testament zelf al een voogd hebben benoemd. Door zo’n voogdbenoeming is de rol van de rechter uitgespeeld; de ouders hebben dwingend bepaald bij wie hun kinderen terechtkomen. Ook twee gezamenlijke voogden kunnen bij testament worden aangewezen.

Testamentaire voogdij

Door een voogdbenoeming in een testament of een specifiek daartoe opgemaakte notariële akte is in beginsel de rol van de rechter uitgespeeld: er is dwingend bepaald bij wie het kind terecht moet komen of wie er voor moet zorgen. Ouders, of de ouder die met een niet-ouder gezamenlijk het ouderlijk gezag heeft, kunnen een buitenstaander (maar geen rechtspersoon) als voogd aanwijzen. Ook is het mogelijk om twee voogden te benoemen, die gezamenlijk de voogdij uitoefenen. Hierbij moet bedacht worden dat de wet verschillende gevolgen verbindt aan de benoeming van één voogd of aan een voogden(echt)paar. Zo hebben twee voogden de plicht en het recht de minderjarige zelf op te voeden en te verzorgen. Is er één voogd dan kan deze de verzorging en de opvoeding aan een ander overlaten. Een voogdenpaar is tijdens de voogdij onderhoudsplichtig jegens het kind. Eén voogd alleen is dat niet.

De benoeming door de ouders heeft alleen gevolgen als zij gelijktijdig komen te overlijden of als één van hen als langstlevende komt te overlijden. Als één van beiden sterft, behoudt de overblijvende ouder immers van rechtswege het ouderlijk gezag. Overlijdt de ouder die samen met de niet-ouder het gezag uitoefende, dan wordt de niet-ouder van rechtswege voogd over de kinderen. Een voogdijbenoeming door de ouder heeft dan geen effect.
De aangewezen voogd hoeft pas na het overlijden te beslissen of hij de aanwijzing aanvaardt. Het is wel belangrijk om van tijd tot tijd na te gaan of de door u aangewezen voogd nog wel bereid en geschikt is om zo nodig de voogdij uit te oefenen. Is dat niet het geval, dan zal de aanwijzing herroepen moeten worden; zo mogelijk zal dan een ander als voogd worden aangewezen. De aangewezen voogd zal na het overlijden van de (laatstoverleden) ouder die belast was met het gezag op de griffie van het kantongerecht moeten verklaren dat hij voogd wil worden.

Ook een ouder die alléén het gezag heeft over een kind kan bij notariële akte vastleggen wie na zijn dood de voogdij over het kind zal uitoefenen. De ouder die niet belast was met het ouderlijk gezag, kan binnen een jaar na het overlijden een verzoek indienen om het gezag te krijgen. Dit verzoek wordt alleen afgewezen als er gevaar voor verwaarlozing van de belangen van het kind bestaat. Na afloop van het jaar wordt het verzoek alleen ingewilligd als de situatie is veranderd of bij een eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
De rechter kan voordat hij beslist, eerst de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek vragen. Als de rechter het verzoek van de ouder toewijst, dan verliest de testamentaire voogd zijn functie.

Onterving echtgenoot: verzorgingsrecht

Onterving van een echtgenoot is mogelijk. De onterfde echtgenoot heeft geen recht op een legitieme portie. Wel worden de gevolgen van onterving verzacht, als de nalatenschap van de erflater voldoende mogelijkheden tot verzorging biedt. De onterfde echtgenoot heeft namelijk recht op een passend verzorgingsniveau. De echtgenoot kan bijvoorbeeld als dat nodig is, aanspraak maken op het vruchtgebruik van het huis en van de inboedel. Hij kan dan in de woning blijven wonen ook al is hij onterfd. Afhankelijk van zijn verdere financiële omstandigheden kan hij ook het vruchtgebruik claimen van andere zaken, bijvoorbeeld van een effectenportefeuille. En hij mag zelfs dit vermogen opmaken als dat nodig is voor zijn verzorging. Daarvoor moet wel eerst toestemming van de kantonrechter worden gevraagd.
Deze regeling is van dwingend recht. Bij testament kan er niet van worden afgeweken. Wel is de uitoefening van deze rechten aan korte termijnen gebonden (6 resp. 12 maanden). Raadpleeg daarom in zo’n geval zo snel mogelijk een notaris.

Langstlevende testamenten

De wet bepaalt dat de langstlevende echtgenoot automatisch eigenaar wordt van de nalatenschap met alle bevoegdheden.
De langstlevende echtgenoot en de kinderen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen de erfgenamen. Echter zolang de langstlevende ouder nog leeft, hebben de kinderen enkel een vordering op de ouder. De langstlevende ouder mag wel tijdens leven (een deel van) de vordering aan de kinderen voldoen maar is daartoe niet verplicht.
Als er zo een wettelijke verdeling is gemaakt in het testament kan de erflater een bepaling hebben opgenomen, waardoor de achterblijvende partner niet alles kan opmaken. Er kunnen in het testament zekerheden worden opgenomen ten aanzien van het erfdeel van de kinderen. Ook in dit testament kan worden bepaald dat de langstlevende partner geen recht meer heeft op de nalatenschap zodra de achterblijvende partner hertrouwt of naar het verzorgingstehuis gaat. De kinderen zullen moeten wachten op uitkering van hun erfdeel tot één van de door de erflater bepaalde momenten zich voordoet óf tot het moment dat moeder of vader zelf vindt dat zij of hij kan uitkeren.
In het testament kan ook worden bepaalt dat de vorderingen van de kinderen rentedragend zijn “op papier” hetgeen voordelig kan zijn voor de erfbelasting bij overlijden van de langstlevende ouder.

Vruchtgebruiktestament

Een ander soort regeling bij testament is het instellen van een vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot. Vruchtgebruik is het recht om gebruik te maken van goederen die niet uw eigendom zijn. Dit laatste wordt ook aangeduid met de term ‘hoofdgerechtigdheid’ en ‘hoofdgerechtigde’.
Vruchtgebruiktestamenten zijn veel gemaakt in het verleden en kunnen ook in de toekomst nog worden gemaakt. De vruchtgebruiker is bevoegd om alle ‘vruchten van het goed te plukken’. Met andere woorden: de vruchtgebruiker mag genieten van de goederen. De vruchtgebruiker van een huis mag er gratis in wonen, de vruchtgebruiker van het saldo van een bankrekening geniet de rente.
De vruchtgebruiker is verplicht het goed waarvan hij de vruchten geniet ten behoeve van de hoofdgerechtigde in stand te laten. Zo moet de vruchtgebruiker van een huis dat huis goed onderhouden, en moet de vruchtgebruiker van een saldo op een bankrekening afblijven van de hoofdsom, tenzij de erflater uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Het vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van de vruchtgebruiker(s) of op een eerder tijdstip dat de erflater in zijn testament heeft vastgelegd (bijvoorbeeld hertrouwen).

Codicil

Bepaalde legaten hoeft de erflater niet per se in een notarieel testament vast te leggen. Voor het vermaken van inboedelgoederen (geen verzamelingen van schilderijen en/of kunstvoorwerpen), sieraden en kleren voldoet een codicil. Een codicil is een eigenhandig geschreven (er mag geen getypte letter in staan), gedateerde en ondertekende verklaring. De in een codicil vermaakte goederen moeten nauwkeurig (stuk voor stuk) worden beschreven.
Het gemakkelijke van een codicil is dat de maker het snel kan wijzigen. Verscheur het oude en schrijf een nieuwe.
Het nadeel is dat een codicil, in tegenstelling tot een notarieel testament, kan zoekraken of kan worden verdonkeremaand. Het advies is dan ook om het goed op te bergen of af te geven aan een vertrouwd iemand.

Testamentenregister

Hoe weet men of er een testament is gemaakt? Hiervoor is het Centraal Testamentenregister in het leven geroepen. De notaris schrijft het testament in bij het Centraal Testamentenregister.
De inhoud van het testament is daar niet bekend wel de melding dat er een testament is gemaakt en bij welke notaris.

Levenstestament

Een testament werkt alleen na het overlijden van iemand. Hierin is vastgelegd wat uw wensen zijn na het overlijden. Wilt u echter iets regelen voor de situatie dat u nog in leven bent dan kunt u ook een levenstestament opstellen. Dit kan van groot belang zijn indien u niet meer zelf kan handelen door bijvoorbeeld een ongeluk of door ziekte.
U wijst in uw levenstestament iemand aan die uw zaken moet behartigen bijvoorbeeld indien u dit zelf niet meer kan of wil doen. U kunt zelf bepalen wanneer de volmacht ingaat en zal eindigen.

Met een volmacht geeft u iemand anders de mogelijkheid om namens u bepaalde (rechts)handelingen te verrichten. Deze persoon mag uitsluitend handelen conform de bevoegdheden die u heeft gegeven. Hierbij blijft u zelf bevoegd tot alles waarvoor u de volmacht heeft gegeven. In geval u alleenstaande bent kunt u ook denken aan een medische volmacht; Wie is het aanspreekpunt voor de arts als u zelf niet meer in staat bent die beslissingen te nemen.

Een volmacht kan te allen tijde door u worden herroepen of worden gewijzigd.

In uw levenstestament kunt u ook aangeven hoe u bepaalde zaken geregeld wenst te hebben. Het gaat hier om persoonlijke wensen zoals: in welke situatie uw woning mag worden verkocht, huisdieren en schenkingen.
Een notarieel levenstestament wordt geregistreerd in het Centraal Levenstestamentenregister, waardoor het duidelijk is of iemand een levenstestament heeft gemaakt of niet.

Afwikkeling van de erfenis

Bij het opstellen van een testament is een notaris nodig, maar ook bij het afwikkelen van een nalatenschap is hij een belangrijke adviseur. In sommige gevallen is de notaris zelfs onmisbaar. Bijvoorbeeld als (één van) de erfgenamen minderjarig (is) zijn, als er erfgenamen zijn die niet het vrije beheer over hun vermogen hebben (dit zijn mensen die bijvoorbeeld onder curatele staan of van wie hun goederen onder bewind staan) of wanneer registergoederen moeten worden verdeeld.

De notaris is een onpartijdige adviseur. Dat komt vooral van pas als er ruzie is. Hij zal dan proberen te bemiddelen. Ook in geval van een complexe nalatenschap zal de rol van de notaris belangrijk zijn. De meeste boedels komen gelukkig zonder al te veel complicaties tot een goed einde. Iedereen heeft na het overlijden van een erflater toegang tot het Centraal Testamentenregister. De meest logische weg om te achterhalen of de overledene een testament heeft gemaakt, is echter een willekeurige notaris (in de woonplaats) hierover te raadplegen.

Het komt nog voor dat de notaris in het bijzijn van de erfgenamen het testament voorleest, maar dit is tegenwoordig meer uitzondering dan regel. Het is in elk geval niet wettelijk voorgeschreven.

Verklaring van erfrecht

De procedure voor het afwikkelen van een nalatenschap is grofweg in te delen in drie onderdelen. Het laatste is de definitieve verdeling van alle goederen, en daarvóór ligt het indienen van de aangifte erfbelasting.
In het eerste onderdeel komt het afgeven van een verklaring van erfrecht aan de orde. Een verklaring van erfrecht is een door een notaris opgemaakte akte waarin staat vermeld wie de erfgenamen zijn. De notaris maakt deze verklaring aan de hand van door hem te verzamelen gegevens. Daartoe behoort in elk geval het bericht van het Centraal Testamentenregister of er wel of geen testament is.
Daarnaast raadpleegt de notaris bijna altijd het bevolkingsregister. Om deze redenen kan het enkele weken tot soms enkele maanden (als er veel erfgenamen zijn of als ze moeilijk te vinden zijn) duren voordat de notaris een verklaring van erfrecht kan afgeven.

Accepteren of weigeren

Iedereen droomt wel eens dat een rijk, onbekend familielid overlijdt en allemaal blije erfgenamen achterlaat die een groot bedrag overgemaakt krijgen. Helaas blijkt uit de praktijk dat nalatenschappen ook een negatief saldo kunnen vertonen. Het kan ook voorkomen dat op het moment van het overlijden van de erflater nog niet bekend is of de boedel positief of negatief is, bijvoorbeeld omdat er nog een procedure bij de rechtbank over een schadeclaim loopt. Ook kan tegen ‘de erfgenamen van’ iemand die tijdens zijn leven een risicovol beroep of bedrijf had nog na zijn dood een proces worden aangespannen.

De erfgenamen zijn in beginsel aansprakelijk voor de schulden van de overledene. De erfgenamen kunnen daarvoor zelfs in hun privébezit worden aangesproken. Daarom heeft iedere erfgenaam het recht de nalatenschap te weigeren. Dit recht heeft ook een legataris met betrekking tot het legaat.
De erfgenaam moet in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar maken of hij van het weigeringsrecht gebruik wil maken.
De wet zegt namelijk dat als iemand eenmaal heeft geaccepteerd, deze persoon daarna niet meer kan verwerpen. Met accepteren staat gelijk ‘het zich als erfgenaam gedragen’.
Het weigeren van een nalatenschap gaat gepaard met enkele formaliteiten bij de rechtbank.

Voorrecht van boedelbeschrijving

Als er twijfel of te weinig zekerheid bestaat over de omvang van een nalatenschap, kunnen de erfgenamen ook de boedel aanvaarden ‘onder het voorrecht van boedelbeschrijving’. Zij aanvaarden, maar als blijkt dat de boedel toch negatief is (de rechter wijst een lopende claim toe of een onbekende schuldeiser meldt zich), dan zijn de erfgenamen alleen aansprakelijk voor zover er baten in de boedel zitten. Deze baten moeten dan ook uitsluitend aangewend worden om de schulden te betalen.
Ook voor deze procedure bestaan enkele formaliteiten die de notaris kan verrichten. Er zijn een aantal situaties waarin men altijd onder het voorrecht van boedelbeschrijving moet aanvaarden. Bijvoorbeeld als er minderjarige erfgenamen zijn of als er erfgenamen zijn die niet het vrije beheer over hun vermogen hebben.
Aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving noemt men ook wel beneficiaire aanvaarding. De afwikkeling van een beneficiaire aanvaarding kent haar eigen regels.

Ook hier geldt dat men zich niet ‘als erfgenaam mag gedragen’ wil men niet het risico lopen toch volledig aansprakelijk te zijn voor de schulden.

Erfbelasting

Er is belasting verschuldigd over alles wat verkregen wordt krachtens erfrecht. Deze belasting heet erfbelasting. Er zijn wel vrijstellingen. De hoofdregel is dat hoe verder verwijderd de bloedverwantschap is, des te hoger de erfbelasting. Het tarief van de erfbelasting wordt per schijf vastgesteld. Hoe meer men erft des te meer erfbelasting over de top betaald moet worden.
Het tarief van de erfbelasting bedraagt voor echtgenoten, geregistreerde partners, kinderen en ongehuwd samenwonenden (mits deze aan bepaalde voorwaarden voldoen) minimaal 10 % en maximaal 20 %.
Voor alle overige erfgenamen is het tarief minimaal 30 % en maximaal 40 %.
Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI) (rechtspersonen met een goed doel) zijn vrijgesteld van erfbelasting. De belastingdienst moet de instelling gerangschikt hebben als goed doel instelling.
De kosten van begrafenis of crematie zijn aftrekbaar bij de vaststelling van de erfbelasting, mits ze niet ‘bovenmatig’ zijn. Of dat zo is wordt van geval tot geval bekeken.
Een uitkering van een begrafenisverzekering moet de belastingplichtige in mindering brengen op het aftrekbare bedrag.

Samenlevingsvormen

De gevolgen van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap worden in de wet uitgebreid geregeld. Andere samenwonenden worden door de wetgever met veel minder zorg omringd.

Algemeen en verschillen

Algemeen

De gevolgen van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap worden in de wet uitgebreid geregeld. Andere samenwonenden worden door de wetgever met veel minder zorg omringd.

Op deze pagina’s vindt u informatie over onder meer de verschillen tussen de samenlevingsvormen. Ook leest u op welke manieren door het opstellen van regelingen voorzien kan worden in de behoefte af te wijken van de door de wet gegeven regeling of – als die ontbreekt – zelf afspraken vast te leggen.

Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen

Vaak zal in het gesprek met de notaris de vraag rijzen welke verschillen er bestaan tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel) samenlevingscontract. Om u hiervan een beeld te geven, vindt u hieronder een overzicht van de belangrijkste verschillen.

1. Formaliteiten
Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de relatie is gebonden aan formaliteiten. Huwelijk en geregistreerd partnerschap eindigen bij overlijden van een van de partners, of door een echtscheiding respectievelijk de inschrijving van een notariële verklaring waaruit de beëindiging blijkt. Aan ‘gewoon’ ongehuwd samenleven stelt de wet geen eisen. Een samenlevingscontract is verstandig maar niet verplicht.

2. Levensonderhoud
Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht elkaar ‘het nodige’ te verschaffen. Daarvan kan niet worden afgeweken. De onderhoudsverplichting kán na beëindiging van de relatie tot een alimentatieplicht leiden.
‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar geen onderhoudsplicht. Toch wordt een beroep op de Algemene bijstandswet afgewezen zolang onderhoud kan worden verkregen van iemand met wie men een gemeenschappelijke huishouding voert.

3. Gemeenschap van goederen
Aan de huwelijksvoltrekking en de registratie van het partnerschap verbindt de wet de wettelijke gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap van goederen kan worden voorkomen door het maken van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden.

Indien ‘gewoon’ ongehuwd wordt samengeleefd, ontstaat geen wettelijke gemeenschap van goederen. Door middel van een samenlevingscontract of door gemeenschappelijke aankoop kan wel een vorm van vermogensgemeenschap worden gecreëerd.

4. Pensioen
Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (weduwen- en weduwnaarspensioen) op. Daartoe wordt bij het pensioenfonds een pot gevormd. Voor het geval van echtscheiding of beëindiging van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat er met die pot dient te geschieden. Van toepassing is de Wet pensioenverevening bij scheiding. Deze leidt tot een deling van het tijdens het bestaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen komt, voor zover opgebouwd tot de scheidingsdatum, automatisch toe aan de (gewezen) partner.

De meeste pensioenfondsen kennen voor ‘gewoon’ ongehuwd samenlevenden een ‘partnerpensioen’. Dat is te vergelijken met het (aanvullend) nabestaandenpensioen. Het is iets anders dan het (volks)pensioen op basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Om voor het partnerpensioen in aanmerking te komen, dient aan enige vereisten te worden voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Een notarieel samenlevingscontract wordt meestal verlangd.

5. Erfrecht
In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap is de langstlevende van beiden automatisch, volgens de wet, erfgenaam.
‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden zullen aan een testament niet kunnen ontkomen als zij elkaar erfrechtelijk willen bevoordelen. Volgens de wet erven ‘gewoon’ ongehuwd samenlevenden niet van elkaar.

6. Erfbelasting
Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende geregistreerde partner geniet een vrijstelling van circa € 660.000,00, ongeacht hoe lang het huwelijk of de registratie duurde. Op die vrijstelling wordt echter de helft van de waarde van pensioenaanspraken (en dergelijke) in mindering gebracht. Maar de vrijstelling bedraagt minimaal ongeveer € 158.000,00. Over het bedrag dat boven het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt 10-20% erfbelasting betaald, afhankelijk van de waarde van de verkrijging.

Voor ‘gewoon’ ongehuwd samenwonenden zonder samenlevingsovereenkomst geldt een minder ruimhartige regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding minder dan vijf jaar heeft geduurd, bestaat er op een enkele uitzondering na geen vrijstelling. Zolang de termijn van vijf jaar niet is verstreken, wordt belasting geheven naar een tarief van 30-40%. Pas na vijf jaar valt men in het gehuwdentarief (10-20%).

In een notarieel samenlevingscontract kan, voor zover het gemeenschappelijke goederen betreft, via een ‘verblijvingsbeding’ de heffing van erfbelasting ook binnen voormelde periode van vijf jaar worden voorkomen.

Huwelijksvermogensrecht in Nederland

Algemeen

Het huwelijk heeft belangrijke gevolgen. Het heeft onder meer gevolgen voor de positie van de kinderen die gedurende het huwelijk worden geboren. Het huwelijk heeft ook gevolgen voor het erfrecht en de rechten op sociale en andere uitkeringen, zoals pensioenaanspraken van weduwen of weduwnaars. Niet in de laatste plaats heeft het huwelijk gevolgen voor het vermogen van de echtgenoten. Hiervoor kent de wet bijzondere regels, die samen het huwelijksvermogensrecht vormen.

Nederlands huwelijksvermogensrecht

Het huwelijk heeft gevolgen voor de eigendom van de goederen die u en uw echtgenoot bezitten. Het geheel van regels voor de bezittingen en de schulden van echtgenoten wordt huwelijksvermogensrecht genoemd.
Echtgenoten kunnen volgens Nederlands recht hun huwelijksvermogen op verschillende manieren inrichten: of op basis van het wettelijk stelsel of op basis van huwelijkse voorwaarden.

Wettelijk stelsel (wettelijke gemeenschap van goederen)

Het Nederlands wettelijk stelsel bepaalt dat alle bezittingen en schulden die u en uw echtgenoot vóór het huwelijk hadden, buiten de gemeenschap valt, evenals de erfenissen en schenkingen.
De bezittingen en schulden die er tijdens het huwelijk bijkomen, zijn in beginsel gemeenschappelijk. Dit wordt de wettelijke gemeenschap van goederen genoemd.

Na de beëindiging van uw huwelijk door overlijden of echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen in beginsel zo verdeeld dat u de helft krijgt van de bezittingen en schulden. Dit wettelijk stelsel geldt wanneer de echtgenoten zelf niets geregeld hebben.

Ongehuwd samenwonenden

Samenwoners willen vaak dat bij het overlijden van de één, alle goederen naar de ander gaan.

Volgens het versterferfrecht erven zij niet van elkaar. Als zij dat wel willen, moeten zij een testament maken. Als zij daarnaast ook een notariële samenlevingsovereenkomst hebben gesloten, kunnen zij de erfrechtelijke positie van de partner ten opzichte van de kinderen zo regelen, dat de partner even goed is beschermd als de echtgenoot.

Soms zullen samenwoners een verblijvingsbeding voldoende vinden. Dat is een overeenkomst tussen de twee partners, waarin zij vastleggen dat als de één overlijdt de ander de gemeenschappelijke goederen krijgt, al dan niet tegen betaling van de waarde daarvan. Anders verwoord: als twee partners samen eigenaar zijn van een huis (of van andere gemeenschappelijke goederen zoals inboedel), kunnen zij via het verblijvingsbeding bepalen dat bij overlijden van de één, de langstlevende volledig eigenaar van het huis wordt.

Het is aan te raden het verblijvingsbeding notarieel vast te leggen. Gebeurt dat niet, dan kan het in sommige gevallen achteraf nietig blijken te zijn. Vaak maakt een verblijvingsbeding onderdeel uit van een samenlevingscontract.
Als één van beiden kinderen heeft, is het verstandig de erfrechtelijke gevolgen van een verblijvingsbeding met een notaris te bespreken. In sommige situaties is een notarieel samenlevingsovereenkomst vereist bijvoorbeeld indien u gezamenlijk met uw partner de aangifte Inkomstenbelasting wilt indienen en u geen gezamenlijke kinderen of gezamenlijke eigen woning heeft.

Samenlevingscontract

Wat kunt u regelen in een samenlevingscontract?

Een samenlevingscontract is een schriftelijke overeenkomst waarin u afspraken maakt over zaken die met het samenwonen te maken hebben.
Zoals eerder aangegeven worden samenwonenden door de wetgever met minder zorg omringd dan degenen die op grond van een huwelijk of geregistreerd partnerschap samenleven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat u door te gaan samenleven in beginsel geen recht krijgt op het inkomen of het vermogen van de ander.

In het samenlevingscontract kan dit anders worden geregeld. Zo kan een verplichting worden opgenomen bij te dragen in de kosten van elkaars levensonderhoud. Maar ook bestaat de mogelijkheid af te spreken dat de inkomens van beiden worden beschouwd als een gezamenlijk inkomen. Voor de inkomstenbelasting heeft een dergelijke afspraak geen gevolgen.

Kosten van de huishouding

Doorgaans wordt in een samenlevingscontract overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid).
Men kan ook kiezen voor een verdeling van de helft. Dit kan echter tot problemen leiden als één van beiden weinig of geen inkomen geniet, bijvoorbeeld als gevolg van verzorgende en opvoedende taken.
Als inkomsten wordt doorgaans ook beschouwd wat daarvoor in de plaats treedt, zoals studietoelagen, sociale uitkeringen en pensioen.
Het verdient vaak aanbeveling te omschrijven wat zoal onder de kosten van de huishouding wordt begrepen. Rente (betreffende de woninghypotheek) en huur kunnen daar onder vallen. Maar ook autokosten, onroerendezaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder vallen.

Bank- en girorekeningen

Het aanhouden van een zogenaamde ‘en/of-rekening’ is praktisch. Ten laste daarvan kunnen de kosten van de huishouding worden betaald.
Indien gekozen is voor een deling van inkomen, kan ieders inkomen op die rekening worden gestort. Het tegoed op een en/of-rekening behoort in beginsel niet aan ieder van de partners voor de helft toe. Met ‘en/of’ wordt slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt toe aan degene die het op de rekening heeft gestort of heeft laten storten.
In het samenlevingscontract kan worden bepaald dat hetgeen op gezamenlijke (huishoud)rekeningen (zoals een en/of-rekening) staat, ook toebehoort aan beiden, ieder voor de helft. Daardoor voorkomt men onderzoek naar de vraag wie bepaalde bedragen heeft gestort en van wiens geld uitgaven werden gedaan.

Inboedel en dergelijke

In het samenlevingscontract kan worden vastgelegd van wie de inboedel is. De inbedeel kan gezamenlijk worden gemaakt maar ook aan een van de partners toebehoren.
Indien administratie ontbreekt, zal de bewijslevering echter niet steeds eenvoudig zijn.
De notaris zal daarom vragen of partijen de aanbreng van ieder van hen gespecificeerd op een lijst willen vermelden. Van alle op de lijst vermelde goederen staan vast wie de eigenaar is, zodat daarover geen geschil kan ontstaan.

Einde contract

Partijen kunnen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of de relatie, en daarmee het contract, al dan niet geëindigd is. Vandaar dat het zinvol kan zijn in het samenlevingscontract te regelen wanneer de relatie als beëindigd moet worden beschouwd. Naarmate partijen meer gemeenschappelijk hebben, zal ook meer moeten worden verdeeld. Daarover zal overeenstemming moeten worden bereikt. Redelijkheid en billijkheid spelen hierbij een hoofdrol.
In het samenlevingscontract kan een aantal zaken bij voorbaat worden geregeld. Ook kan worden overeengekomen dat gedurende een bepaalde periode alimentatie zal worden betaald.
Indien de woning gemeenschappelijk eigendom is en wordt toegedeeld aan één van beiden, zullen ook omtrent de lening nadere regelingen moeten worden getroffen. Medewerking van de bank is daarvoor nodig. De verdeling vereist een notariële akte.

De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van samenlevingscontracten. Een notariële akte is weliswaar niet dwingend voorgeschreven, maar uit het oogpunt van rechtszekerheid en bewijslevering vaak onmisbaar. Ook voor de toekenning van een partnerpensioen, ter bescherming van de langstlevende partner tegen rechten van kinderen en bepaalde fiscale regelingen is een notarieel samenlevingscontract vereist.

Trouwen en geregistreerd partnerschap

Voor de gevolgen van het geregistreerd partnerschap gelden dezelfde wettelijke regels als voor het huwelijk (huwelijksvermogensrecht).

In dit onderdeel van de site zullen gemakshalve overwegend de termen ‘huwelijk’, ‘huwelijkse voorwaarden’ en ‘echtgenoot’ worden gebruikt. Tenzij anders blijkt, geldt hetgeen geschreven wordt dus ook voor partnerschapsvoorwaarden en voor geregistreerde partners. De gevolgen van het huwelijk worden geregeld door de wet: het huwelijksvermogensrecht.

Door middel van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden – in de praktijk spreekt men doorgaans van ‘huwelijkse voorwaarden’ – kan worden afgeweken van een belangrijk deel van de wettelijke regels. Dat is alleen geldig bij notariële akte.

Huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden

Door het opmaken van huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken van de wettelijke regeling. Wie huwelijkse voorwaarden wil maken, heeft in beginsel een grote mate van vrijheid (contractvrijheid).
De wederzijdse onderhoudsplicht vormt de belangrijkste regeling van dwingende aard. Ook kan niet worden afgeweken van regels die ‘gezinsbescherming’ beogen. Zo is altijd de toestemming van de andere echtgenoot vereist voor onder andere het verkopen of met hypotheek belasten van de gezamenlijk bewoonde woning en voor het doen van schenkingen.
Voor de inrichting van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn o.a. van belang:

  • het risico van schuldeisers;
  • de wens het bestaande en/of toekomstige inkomen en vermogen te delen bijvoorbeeld bij echtscheiding;
  • de bereidheid het ‘verlies in verdiencapaciteit’, dat kan optreden door het uitoefenen van verzorgende en opvoedende taken, te compenseren;
  • de wenselijkheid een onderneming te beschermen tegen de gevolgen van echtscheiding;
  • de mate waarin partijen het ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij echtscheiding wensen te delen;
  • de verzorging van de overblijvende partner in geval van overlijden.

Een van de grootste problemen bij het opstellen van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden wordt gevormd door het feit dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een lange duur. Er moet daarom zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat omstandigheden veranderen.

Huwelijkse voorwaarden

U kunt van het wettelijk stelsel afwijken door met uw echtgenoot een regeling te treffen in huwelijkse voorwaarden. Hiermee kunt u bijvoorbeeld voorkomen dat de schulden, gemaakt door uw echtgenoot tijdens het huwelijk, verhaald kunnen worden op uw eigen vermogen.

Na de beëindiging van uw huwelijk door overlijden of echtscheiding worden bovendien de schulden en bezittingen verdeeld of verrekend volgens de huwelijkse voorwaarden.

In Nederland moet u deze huwelijkse voorwaarden laten maken door de notaris. De notaris zorgt ervoor dat de huwelijkse voorwaarden worden opgenomen in het openbare huwelijksgoederenregister.

Dit register ligt voor iedereen ter inzage bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement waar u bent getrouwd.
Een schuldeiser van u of uw echtgenoot kan dus nagaan of u op huwelijkse voorwaarden bent getrouwd en zo ja, welke huwelijkse voorwaarden in uw geval zijn gemaakt.
In de huwelijkse voorwaarden kunt u niet onbeperkt regelen wat u wilt. De notaris kan alleen huwelijkse voorwaarden maken die de wet toestaat.
De huwelijkse voorwaarden kunt u zowel voor als tijdens uw huwelijk laten maken.

Buitenlands huwelijksvermogensrecht

Ieder land heeft zijn eigen regels van huwelijksvermogensrecht. Vaak verschillen deze van de Nederlandse regels.
Zo zijn er landen waar de regel geldt dat ieder van de echtgenoten van zijn eigen bezittingen eigenaar is en blijft na de huwelijkssluiting. De andere echtgenoot heeft met die bezittingen niets te maken.

Huwelijk met internationale aspecten

U kunt met buitenlands recht te maken krijgen als uw huwelijk internationale aspecten vertoont. Uw huwelijk heeft internationale aspecten bijvoorbeeld wanneer u en/of uw (aanstaande) echtgenoot:

  • een buitenlandse (dat wil zeggen niet-Nederlandse) nationaliteit heeft; of
  • tijdens het huwelijk in het buitenland heeft gewoond en zich daarna in Nederland vestigt; of
  • tijdens het huwelijk in Nederland heeft gewoond en u van plan bent u in het buitenland te vestigen.

Uw huwelijk heeft geen internationale aspecten wanneer u en uw echtgenoot op het moment dat u met elkaar trouwt Nederlanders zijn, en wanneer u bovendien altijd met uw echtgenoot in Nederland heeft gewoond, geen bezittingen in het buitenland heeft, geen plannen heeft om u in het buitenland te vestigen of aldaar een huis te kopen.

Wanneer geldt welk recht?

Wanneer uw huwelijk internationale aspecten heeft, moet u zich afvragen of u wel onder het Nederlandse recht valt. Het is namelijk niet vanzelfsprekend dat u onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt.

Of u onder het Nederlandse recht of onder het recht van een ander land valt, wordt bepaald door de regels van internationaal privaatrecht.
Ieder land heeft zijn eigen regels van internationaal privaatrecht.
In Nederland passen de autoriteiten (rechters, (kandidaat-)notarissen e.d.) de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht toe (en dat ongeacht uw eigen nationaliteit).
In bijvoorbeeld België of Frankrijk worden de regels van het Belgische respectievelijk het Franse internationaal privaatrecht toegepast (en dat ongeacht uw nationaliteit).

Toepassing van verschillende regels van internationaal privaatrecht kan tot verschillende, soms tegenstrijdige resultaten leiden.
Het is dus van belang een rechtskeuze te maken om vast te stellen welk recht van teopassing is op uw huwelijk. Dat gebeurt in Nederland middels het maken van huwelijkse voorwaarden.

Soorten huwelijkse voorwaarden

Koude uitsluiting

Onder deze naam staat de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden bekend waarbij tussen partijen geen enkele gemeenschap van goederen bestaat.
Het woord ‘koud’ heeft betrekking op het feit dat partijen op geen enkele wijze hun inkomen en vermogenstoename verrekenen (delen). Deze huwelijkse voorwaarden zorgen ervoor dat tussen de echtgenoten een minimum aan financiële banden bestaat. Het enige dat hen financieel bindt, is de wettelijke verplichting elkander ‘het nodige’ te verschaffen.
Deze huwelijkse voorwaarden houden in dat geval grote risico’s in voor een echtgenoot die, nu of in de toekomst, geen eigen inkomen heeft. Hij of (meestal) zij deelt in geen enkel opzicht in de vermogenstoename die bij de andere echtgenoot optreedt. Niettemin kunnen deze huwelijkse voorwaarden aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld als de economische zelfstandigheid van een partner door het huwelijk niet in gevaar komt.

Beperkte gemeenschap

De wet biedt de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarden voor een beperkte gemeenschap van goederen te kiezen. Gemeenschappelijk is dan bijvoorbeeld alles wat tijdens het huwelijk wordt verkregen, anders dan door schenking of erfrecht.
Voor de rest bestaat dan een gemeenschap, met onder andere het gevolg dat de schulden van ieder der echtgenoten kunnen worden verhaald op de gehele gemeenschap. Eenzelfde bezwaar bestaat tegen de algehele gemeenschap van goederen.
In de praktijk komen zulke huwelijkse voorwaarden nauwelijks voor. Dat is vooral ook te wijten aan het feit dat de meeste echtgenoten er niet in slagen ieders eigen vermogen én het gemeenschappelijk vermogen uit elkaar te houden.

Verrekenstelsels

Het elders geschetste bezwaar tegen de ‘koude uitsluiting’ (geen deling van inkomsten) wordt in de praktijk ondervangen door aan de uitsluiting van iedere gemeenschap een of meer verrekenbedingen toe te voegen.
Men spreekt van een ‘periodiek verrekenbeding’ als het beding verplicht tot jaarlijkse verrekening van de gespaarde inkomsten. Vaak wordt de verrekening beperkt tot de inkomsten uit arbeid. Rente, dividend en dergelijke vallen er dan niet onder. Als de verrekening niet periodiek maar slechts aan het eind van de rit (echtscheiding, overlijden) moet gebeuren, is er sprake van een ‘finaal verrekenbeding’.
In geval van overlijden wordt dan meestal afgerekend alsof algehele gemeenschap had bestaan (van voor 1 januari 2018).
Bij echtscheiding kan van de verrekening worden uitgesloten wat ten huwelijk is aangebracht en wat krachtens schenking of erfrecht werd verkregen.

De notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van de huwelijkse voorwaarden. Een notariële akte is wettelijk vereist. De inrichting van de overeenkomst hangt echter vooral af van de wensen van de partijen.